Moby Dick Herman Melville

In een decembermaand besluit Ishmael, een voormalige leraar, om zich aan te melden voor de walvisjacht. Hij reist van zijn woonplaats New York naar Nantucket in Massachusetts. In New Bedford logeert hij in de herberg De Spuitende Walvis, waar hij noodgedwongen een bed deelt met een harpoenier, een getatoeëerde Polynesische prins genaamd Queequeg, wiens vader de koning was van het eiland Rokovoko. Al snel worden de twee boezemvrienden. De volgende ochtend gaat Ishmael ter kerke en hoort hij Vader Mapple preken over Jona. Op maandag arriveren de twee te Nantucket, waar ze verblijven in logement De Traanketels. Dinsdag onderhandelt Ishmael met de eigenaren van de walvisvaarder Pequod, Bildad en Peleg, om zich aan te melden voor de reis. Queequeg blijft op hun kamer om een ramadan te houden. Ishmael wenst de kapitein te zien, maar die is ziek. Peleg schetst een beeld van de kapitein, die Ahab heet, “een groots man, goddeloos en goddelijk tegelijk”. Ahab is onvergelijkbaar met anderen, “hij is Ahab, jongen; en oudtijds was Ahab, gelijk ge weet, een gekroonde koning!” Op zijn laatste reis heeft een walvis zijn been ontnomen en sindsdien is Ahab “neerslachtig tot wanhopig toe, en woest opstandig soms; maar dat zal wel weer overwaaien.” Hij mag dan geteisterd en beproefd zijn, “maar Ahab bezit zijn menselijkheden!'

De volgende dag wordt ook Queequeg aangenomen. Op hun weg terug ontmoet het duo een in lompen gehulde oude ziener, Elia, die vraagt of er op de monsterrol, het formulier van aanmonsteren, nog iets over hun zielen stond. Mochten ze geen ziel hebben, dan is die van Ahab groot genoeg om een tekort bij anderen op te vullen, gaat hij verder, waarna hij over “die ouwe donderaar” vertelt. Jaren geleden heeft Ahab eens drie dagen en nachten voor lijk gelegen en was hij betrokken bij een dodelijk handgemeen met een Spanjaard voor een altaar te Santa, en heeft in een zilveren kalebas staan spugen. Het verlies van zijn been zou zijn voorzegd. Niemand weet van deze mysterieuze zaken. Dan begint Elia over hun aanstaande reis: “wat er te gebeuren staat, gebeurt toch; en dan nog, misschien blijft het wel uit ook. Hoe dan ook, alles staat al vast hoe het komen gaat.” Op Kerstochtend kijkt het duo toe hoe de voorraad voor een reis van drie à vier jaar aan boord wordt gebracht. Ook komen vier of vijf geheimzinnige figuren aan boord. Op een koude Kerstdag sturen Peleg en Bildad de Pequod de haven uit.

Ahab maakt op Ishmael vanaf het begin een vreemde indruk. Hij is nergens te bekennen als de rest van de bemanning inscheept en tijdens het eerste deel van de reis verlaat hij bijna nooit zijn hut. Wanneer Ahab zich eindelijk vertoont, is Ishmael duidelijk geïntimideerd door Ahabs uiterlijk. Wat opvalt is dat Ahab zijn verloren been heeft vervangen door een kunstbeen van potvisbot. Het blijkt dat Ahab op jacht is naar een specifieke witte potvis, Moby Dick. Deze walvis heeft er ooit voor gezorgd dat Ahab zijn been verloor. Ahab is vastbesloten het beest te vinden en wraak te nemen. Hij laat zich daarbij door niets of niemand tegenhouden. Omdat Ahab wel begreep dat de eigenaren van de Pequod walvissen wilden bejagen voor de winst in plaats van voor wraak, heeft hij in het geheim zijn eigen crew mee aan boord genomen. Een van hen is de mysterieuze harpoenier Fedallah.

Tijdens de reis ontmoet de Pequod verschillende andere schepen, waarmee de bemanning vaak ervaringen met Moby Dick uitwisselt. Uiteindelijk komt de Pequod de potvis op het spoor en zet de achtervolging in. Drie dagen lang achtervolgt het schip de potvis, die overal waar hij komt vernielingen aanricht. Fedallah komt om bij een mislukte poging Moby Dick te harpoeneren. Starbuck, de eerste stuurman, blijft proberen Ahab om te praten van zijn wraak af te zien, daar het moedwillig volgen van Moby Dick het schip en de bemanning alleen maar schade zal toebrengen. Ahab houdt echter voet bij stuk en gaat persoonlijk in een sloep de zee op om Moby Dick te harpoeneren. Het touw van de harpoen wikkelt zich echter om Ahabs nek waarop hij door de potvis mee de diepte wordt ingetrokken.

Het moederschip zelf wordt door Moby Dick geramd en zinkt in een draaikolk. Alle bemanningsleden die nog aan boord waren zijn reddeloos verloren. Ishmael weet als enige te overleven door zich vast te klampen aan de doodskist die Queequeg eerder voor zichzelf maakte. Hij wordt uiteindelijk gered door de bemanning van de Rachel, een van de schepen die de Pequod eerder ontmoette.